Dijkgraaf - Folia 3: Koken in de porseleinkast
Koken in de porseleinkast
Deze dagen wordt er stevig gezondigd tegen de goede smaak. Een leger eerstejaars zet niet alleen de eerste stappen in de collegezaal, maar ook in de culinaire wereld – een primitief rijk, voornamelijk bevolkt met spaghetti, paprika en gehakt, waar koning Ketchup en koningin Ketjap de scepter zwaaien. Maar koken is één ding, opeten een tweede.
Ik kan mij nog goed de maaltijd herinneren die een studiegenoot op een butagasstelletje in zijn minuscule keukentje bereidde. Goddank had ik al gegeten! Hoofdbestanddelen waren een ei en een blik erwten. Alles werd zorgvuldig in een Hema-koekenpannetje in walmende margarine aangebakken. Toen de troosteloze hap uiteindelijk in een plas onduidelijke vloeistof op zijn bord lag, zuchtte mijn vriend diep, liep met het bord naar de prullenbak, bestudeerde de geelgroene compositie nog eens aandachtig, aarzelde een lange minuut, en liet toen het geheel met een vette plop zó in de vuilniszak glijden. Deze shortcut van het maag-darmkanaal scheelde een hoop indigestie en afwassen.
Mijn eerste stappen op het culinaire pad vonden plaats in een porseleinkast, te weten het met oud-Hollands antiek ingerichte arbeidershuisje dat een andere studentvriend bewoonde. Het huisje was van zijn oma, die tijdelijk in een verzorgingshuis verbleef, en stond vol met aardewerken poppetjes, sanseveria's in goudkoperen potten en massief eikenhouten meubels bedekt met gehaakte kleedjes. Niet de gemakkelijkste omgeving voor een stel balorige achttienjarigen. De huishouding werd dan ook met gezonde achterdocht in de gaten gehouden door tante Tini, de zus van oma, ongeveer één meter lang, die in een identiek kabouterhuisje aan de overkant woonde. Tante Tini had één regel, vast nog afkomstig uit de crisisjaren: eten gooi je nooit, maar dan ook nooit weg. Hoe onsmakelijk het ook is. Die huisregel maakte het koken niet gemakkelijker.
Zo herinner ik me onze poging een soort schol Picasso te bereiden. Stukken ondefinieerbare visfilet en banaan werden in dik beslag gedoopt en in een enorme plas olie gebakken. De drabberige gele hompen dreven in een diepe vetlaag op onze borden. Opeten was duidelijk geen optie. Maar weggooien ook niet. We moesten een list bedenken. Uiteindelijk leegden we alle pakken melk en vla die in de koelkast stonden, en propten die vervolgens vol met het mengsel van vis en banaan. De gevulde melkkartonnen werden onderin de vuilniszak verstopt. Zo waren we tante Tini toch maar mooi te slim af!
Toen we de volgende dag uit college aan kwamen fietsen, stond tante Tini voor de deur te wachten. Naast haar stonden de zes melkpakken.
Robbert Dijkgraaf is universiteitshoogleraar mathematische fysica.

















Karel van der Toorn is voor vier jaar herbenoemd als voorzitter van het College van Bestuur. Goed?

