Weekgast Jan Rath
Jan Rath (1956) is hoogleraar sociologie, in het bijzonder de studie der stad en haar etnische en culturele verscheidenheid, en directeur van het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies (Imes) van de UvA.
Donderdag 5 maart
Vroeg uit de veren voor de terugreis. Onderweg heb ik mij onledig gehouden met het verwerken van email en met het programma voor het zwaartepunt Urban Studies, want het werk staat tijdens mijn afwezigheid natuurlijk niet stil. Email is een geweldige uitvinding, maar ik ben al lang niet meer in staat de banjir van elektronische post bij te houden en intussen loopt mijn mailbox over. In het vliegtuig ruim ik een deel van de 1329 emails op die nog in mijn mailbox staan. Ze gaan deels over kwesties die reeds lang geleden zijn opgelost, en dat stelt mij zeer gerust. Zonder dat ik zelf driftig meedoe aan al dat drukke mailverkeer gaat het leven kennelijk toch door. Voor echt belangrijke zaken neem ik overigens wel de tijd, en mocht ik dat verzuimen dan zorgen mijn medewerkers ervoor dat ik bij de les blijf.
Verder heb ik een deel van de dag besteed aan een voorstel voor de uitwerking van het programma van het zwaartepunt Urban Studies. Een aantal onderzoekers binnen de FMG, met name onderzoekers verbonden aan het AMIDSt, het IMES en de ASSR, verrichten onderzoek naar steden en stedelijkheid. Deze sociologen, geografen, politicologen, planologen en anderen timmeren internationaal al flink aan de weg, maar de erkenning van hun onderzoek als een van de facultaire zwaartepunten stelt hun in staat om de Amsterdamse Urban Studies te laten uitgroeien tot een wereldcentrum voor onderzoek naar stedelijke vraagstukken. Amsterdam en de rest van de Randstad fungeren veelal als nabije laboratoria. Hun werk kent bovendien tal van raakvlakken met beleid en praktijk, op de schaal van individuele steden, Nederland, Europa en de wereld. Met de extra middelen die beschikbaar komen in dit facultaire zwaartepunt proberen we — Sako Musterd en ik — de synergie tussen de bestaande onderzoekers en onderzoeksgroepen op dit terrein te versterken. We willen tegelijkertijd de academische zichtbaarheid — onder andere uitkomend in nog meer hoogwaardige publicaties — nog groter maken, en nog meer tweede en derdegeldstroom fondsen aanspreken. De nauwe samenwerking met de gemeente Amsterdam geeft het zwaartepunt enerzijds toegang tot de werkvloer van de stad, maar stelt het ook in staat een bijdrage te leveren aan het beleid. In die zin vallen de ambities van het zwaartepunt mooi samen met die van International Metropolis.
Woensdag 4 maart
Vannacht is het laat geworden. Howard Duncan — de andere Co-Chair van International Metropolis — en ik zouden nog even bijpraten over de toekomst van het netwerk, over de strategie die we zouden moeten volgen, en over de manier waarop wij tweeën als Co-Chairs zouden moeten samenwerken. We blijken behoorlijk eensgezind als het gaat over de vraag waar International Metropolis over vijf jaar zou moeten staan. Maar we beseffen ook dat er nog heel wat werk verzet moet worden om het ganse netwerk mee te krijgen. Bovendien hebben we om een en ander te realiseren nog wel ‘een paar tonnetjes’ nodig, om te praten met de schoonvader van Johan Cruyff — Cor Coster. Het secretariaat van de European Co-Chair wordt nu gesubsidieerd door enkele ministeries, maar die bijdragen zijn niet voldoende voor onze ambities en bovendien is de continuïteit niet verzekerd. Daar staat tegenover dat de grote steden in Nederland zeer geïnteresseerd zijn in een Nederlandse tak van International Metropolis en dat ze naar alle waarschijnlijkheid ook bereid zijn om daarvoor in de buidel te tasten.
Mijn installatie als Co-Chair vanmorgen ging, zoals gebruikelijk, gepaard met de nodige tamboer en verplichte loftuitingen. Ik begrijp inmiddels dat er geen betere wetenschapsbeoefenaar en meer geschikte voorzitter op de wereld verblijft dan ik. Op de UvA hoorde ik niet zo lang geleden iets soortgelijks, terwijl mij met een glimlach een kunstje werd geflikt. Maar in dit geval heb ik het gelaten over me heen laten komen. The proof of the pudding is in the eating.
De rest van de vergadering ging op aan besprekingen van de uiteenlopende manieren waarop zulke instituten als het IOM en de UNHCR trachten strategische partnerships van de grond te brengen tussen verschillende overheden, NGOs, de private sector en de wetenschap. Om exact kwart over een heb ik de vergadering afgehamerd. Na de lunch stond er nog een excursie op de rol naar een opvangcentrum voor immigranten dat uiteenlopende diensten levert: immigranten kunnen op één adres terecht voor alle zaken, variërend van visa’s, naturalisaties, opleidingen, religieuze kwesties, of wat dan ook. Zo’n one-stop-shop is een interessante poging om de ingewikkelde bureaucratie transparanter te maken en meer gericht op dienstverlening. In Nederland wordt ook wel eens over zo’n oplossing nagedacht, maar de praktijk blijkt dan vaak weerbarstig te zijn.
Na die korte nacht en copieuze lunch viel het niet mee om in het bedompte en droge gebouw fier op de been te blijven. Maar met een kuub sterke Portugese espresso wist de nieuwe Co-Chair toch standvastigheid te bewaren.
Dinsdag 3 maart
De International Steering Committee van International Metropolis vergadert ten kantore van de Fundação Luso Americana. De Fundação is een particuliere stichting die financiële en strategische steun verleent aan innovatieve projecten gericht op de sociale, culturele en economische ontwikkeling van de Portugese samenleving. Te denken valt aan scholarships en ondersteuning van uiteenlopende wetenschappelijke projecten en uitwisselingsprogramma’s, waaronder International Metropolis. De Fundação houdt kantoor in een indrukwekkende villa berstensvol met kunst en met een uitgestrekte tuin en schitterende uitzicht over de Taag. Zeker nu het zonnetje vrolijk schijnt is het geen straf om hier te vertoeven, al had ik graag mijn zonnebril op gehad en moet ik elke minuut aan een Italiaanse schone denken.
De ochtend, die hier tot ver in de middag duurt, gaat grotendeels op aan het bespreken van de organisatie en het programma van de conferenties die voor de komende jaren op de rol staan. Het programma voor de eerstvolgende jaarconferentie, in Kopenhagen, is interessant en gaat over zulke thema’s als internationale migratie en de houdbaarheid van verzorgingsstaten, de ontwikkeling van parallelle samenlevingen, internationale gezinsvorming, oppositionele jeugdculturen en zo meer. Wat mij verbaast is dat de effecten van de economische crisis op het proces van integratie slechts mondjesmaat aan bod komen, terwijl er toch al volop berichten zijn dat immigranten grotere risico’s lopen te worden ontslagen. De leden van de commissie denken overigens creatief mee en waken voor een al te eurocentrische benadering van deze mondiale vraagstukken. Ook letten zij erop dat het programma niet al te braaf wordt. Een enthousiasteling suggereert zelfs om Samuel Huntington uit te nodigen, de Amerikaanse professor die bekend werd met de stelling dat er een ‘clash of civilizations’ gaande is. Zo’n optreden zou veel opzien baren, want de goede man is vorig jaar overleden. Mijn suggestie om dan maar Max Weber uit te nodigen viel evenmin in goede aarde.
Maandag 2 maart 2009
Vandaag vertoef ik in Lissabon, de stad die bij elke rechtgeaarde Rotterdammer van ietwat gevorderde leeftijd speciale herinneringen oproept. In 1963 was Feyenoord als eerste Nederlandse voetbalclub doorgedrongen tot de halve finale van de Europacup I, en het moest aantreden tegen het grote Benfica van Eusebio. De returnwedstrijd in Lissabon bracht een nog niet eerder vertoond massaal enthousiasme teweeg. Het Vrije Volk had twee passagiersschepen gecharterd—de s.s. Waterman en Grote Beer—en stelde supporters in staat tegen een zacht prijsje de wedstrijd in Lissabon bij te wonen. Toen de schuiten van Rotterdam vertrokken met aan boord ruim 1600 voetbalfans, de vermeende opa van Coen Moulijn, enkele geestelijken, naar verluid 32 prostituees, en de Rotterdamse hammondorganist meneer Cor Steyn, stonden honderdduizenden mensen langs de Nieuwe Waterweg om het zingende Legioen uit te zwaaien. Toen de dag erop de schepen in de haven van Lissabon binnenvoeren, zette Cor Steyn voor de zoveelste keer het Hand-in-Hand in: de Portugezen zouden weten dat het Legioen was gearriveerd. Feyenoord verloor, maar wat beklijfde was de prettige verbeelding dat grootheid mogelijk was.
Terugkijken op oude glorie heeft vele charmes, vooral als nieuwe glorie uitblijft, en het is misschien daarom dat de Portugezen er ook een handje van hebben. Er was ooit een tijd dat Portugese zeevaarders heersten over wereldzeeën en Lissabon het centrum van een groots wereldrijk was. Van die macht, rijkdom en grandeur is weinig overgebleven: Portugal is nu een van de armere landen in Europa. Maar op een of andere manier heeft men de naar buiten gerichte blik, al dan niet vermengd met een nostalgisch verlangen naar vroeger, wel weten te behouden. In het vakgebied van de migratie- en etnische studies is die open blik alleszins merkbaar. Er tekent zich in razend tempo een internationale intellectuele gemeenschap af die met tomeloze ambitie veel onderzoekskracht weet te mobiliseren. Portugese onderzoekers zijn daarin opvallend sterk vertegenwoordigd, ongehinderd door kleingeestigheid en parochialisme, uitzonderingen daargelaten.
Ik ben hier vanwege een bijeenkomst van de International Steering Committee van International Metropolis. Dit is een wereldomspannend netwerk waarin wetenschappelijke onderzoekers, politici en beleidsmakers, en vertegenwoordigers van ngo's informatie uitwisselen en debat voeren over internationale migratie en de integratie van immigranten in hun landen en steden van vestiging. Niet alleen wordt kennis uitgewisseld rondom de feitelijke stand van zaken, ook wordt gesproken over het migratie en integratiebeleid. Onder auspiciën van Interational Metropolis wordt jaarlijks een grote conferentie georganiseerd en verschillende kleinere interconference meetings, en wordt op uiteenlopende manieren internationale samenwerking tussen onderzoekers onderling en tussen onderzoekers en praktijkmensen bevorderd. Die conferenties zijn altijd de moeite waard, niet zozeer omdat ze een platform bieden om de laatste theoretische inzichten uit te diepen, maar wel omdat ze opereren als en marktplaats voor kennis en contacten. In een tijdsgewricht waarin onderzoeksinstituten steeds afhankelijker zijn van externe financiering en waarin universitaire bestuurders de mond vol hebben van valorisering — wat een vreselijk modewoord trouwens — is dat van wezenlijk belang.
Vandaag heb ik wat voorbereidingen getroffen en zo dadelijk overleg ik nog met de aftredende voorzitter. Intussen krijg ik bericht dat Feyenoord zondagmiddag heeft gelijkgespeeld. Tegen Vitesse. Ach ja.

















Karel van der Toorn is voor vier jaar herbenoemd als voorzitter van het College van Bestuur. Goed?

