Weekgast Piet de Rooy
foto: Eduard Lampe
Piet de Rooy (1944) is hoogleraar Nederlandse geschiedenis sedert de Middeleeuwen. Op 11 september neemt hij afscheid van de UvA met een college en een symposium.
Vrijdag 11 september
De dag begint met een symposium in de Doelenzaal van de Universiteitsbibliotheek. In de wc al beginnen de eerste bezoekers me vriendelijk toe te spreken. Onder aanvoering van mijn opvolger, James Kennedy, laten vijf mensen zien dat de universiteit niet zal instorten nu ik wegga. Krijg een prachtig Festschrift, Het eenzame gelijk, met een geinig Dafje op de omslag.
Na een lichte lunch gaan we naar de Aula. Terwijl ik in toga zit te wachten in de Senaatszaal komt er een veiligheidsbeambte binnen, die me vraagt of ik een pastor ben - en na mijn ontkenning uitlegt dat hij op zoek is naar een ruimte om te bidden. Verwijs hem door naar de pedel. Vervolgens afscheidscollege uitgesproken, waarna verschillende mensen me hartelijk toespreken, onder de soepele regie van universiteitshistoricus Péjé Knegtmans. De burgemeester van Amsterdam speldt mij een ridderorde op en met blinkend versiersel betreden we de hal van het Maagdenhuis. Daar schudden en zoenen we twee uur achter elkaar mensen de hand en de wang. De cadeautjes stapelen zich op, tussendoor een haastige slok water; aan het eind wel dringende behoefte aan een sigaret (eigenlijk wel twee).
Daarna met groot aantal gasten naar een restaurant, waar onder aanvoering van Herman Beliën de hartelijkheid ongekende hoogten bereikt. Bescheidenheid verbiedt me om hierover nadere gegevens te verstrekken.
Om twaalf uur thuis, oppas van de kleinkinderen bedankt en afgelost, emmers gezocht voor de bloemen en vervolgens langdurig gebruik gemaakt van een cadeau van vriend Chris uit Glasgow, een literfles Talisker. Om het malen te stoppen een slaappil genomen. En daarmee was het over en uit.
Donderdag 10 september
Vandaag gebeurt er niets, behalve afwisselend ijsberen en duizend spelletjes Spider. Afscheidscollege nog eens nagelopen: twee woorden veranderd, befje gestreken en schoenen gepoetst. Tussendoor zeer genoten van Sinas, de band van saxofonist Wouter Scheuler, met zijn eerste cd Global explorations.
Woensdag 9 september
De dag begint aardig: P., medebestuurslid van de historische vereniging Haerlem, staat op de stoep met een kistje wijn. Mogen er nog velen dit voorbeeld navolgen. Daarna het huis gereorganiseerd wegens omvangrijke logeerpartij van kinderen en kleinkinderen. Voordat het huis volstroomt maak ik een print van het afscheidscollege; dat is een gevreesd moment, want nu is het zo definitief. De spanningen worden onder bedwang gehouden door het regelmatig draaien van de James Brown Story. Get on the Good Foot. Hard.
De mail brengt nu afwisselend uitnodigingen en afzeggingen. Teruggedacht aan mijn begin als hoogleraar, aan het Documentatiecentrum voor Nieuwste Geschiedenis. Hoe ik in de grootste kamer van een grachtenpand kwam te zitten, met uitzicht op de tuin. Behalve een buitenmaats bureau had mijn voorganger, Frits de Jong, me een briefopener, een beleidsnota en een doosje paperclips nagelaten. Onmisbare giften. Dankzij het bezit van een sleutel van de voordeur kon ik daar ’s avonds aantekeningen maken voor het grote hoorcollege dat ik de volgende ochtend moest geven. Dat was de oorsprong van mijn boek Republiek van rivaliteiten.
De dag afgesloten met een overpeinzing van mijn kleinzoon: ‘Opapiet, ik heeft eigenlijk nog nooit een varken zien poepen.’ Die jongen komt er wel.
Dinsdag 8 september
Vanmorgen kwam vriend P. op bezoek, met wie ik herinneringen ophaalde aan ons gezamenlijk begin van de academische loopbaan: besturen bij de subfaculteit opvoedkunde en onderwijskunde. Dat was in die tijd, de jaren zeventig, een vak apart. Voor de kenners: de SFO maakte gebruik van het experimenteerartikel in de WUB. Uit die tijd herinnerden we ons lange discussies over het verschil tussen ‘gedepriveerd’ of ‘gedepriviligeerd’. Het eerste was links, het tweede rechts – meer valt er niet over te zeggen.
Daarna naar Amsterdam om wat details te regelen over het afscheid. Op het station Haarlem word ik met twee handen stevig vastgepakt door een even grote als vriendelijke Surinaamse vrouw: ‘Ah joh, jij gaat voor mij een kaartje kopen’. Ik hou wel van directheid, maar dit is me net iets te dwingend.
Op mijn oude werkkamer nog wat spullen ingepakt en me bereidwillig laten fotograferen. Intussen een mail gekregen van de redactie van het Reformatorisch Dagblad, waarin me luid en duidelijk gewezen wordt op een fout in de tekst van het (al gedrukte) afscheidscollege. Ontving pal daarop een mail van collega A., waarin hij wees op een hartverheffend clipje: www.youtube.com/watch?v=4hdrcDDqRHk. Dat was troostvol!
Maandag 7 september
Na 35 jaar aan de UvA verbonden te zijn geweest, ga ik met pensioen. Tja, het is een fase die tot nadenken stemt. Een beetje warrig lopen herinneringen en verwachtingen door elkaar heen, tot veel conclusies leidt het niet. Daarom pak ik een boek en lees een stukje in Our Lady of the Forest van David Guterson, een fascinerend verhaal over wat er gebeurt als een zestienjarig meisje in 1999 de maagd Maria in het bos ziet verschijnen in een desolate houthakkersgemeenschap, even ten noord-westen van Washington. Heel goed zoals Guterson afstand weet te bewaren, zonder neerbuigend (of nog erger: ironisch) te worden.
Het geloof blijft een fascinerend verschijnsel, ook al heb ik zelf geen merkbare metafysische behoeften. Naar een uitdrukking van Max Weber ben ik religieus geheel ‘onmuzikaal’, wat op zich overigens geen reden tot trots is, het is zoals het is.
‘s Middags komt Jan Tromp langs voor een interview voor de Volkskrant. We zijn nog geen tien minuten bezig of de vraag komt al ter tafel of een zekere afstandelijkheid aan mijn vak als historicus ligt of voortvloeit uit mijn karakter. In dit soort gevallen citeerde mijn moeder de apostel Paulus: ‘Wat zullen wij van deze dingen zeggen’. Misschien vrijdag in de krant…

















Collegevoorzitter Karel van der Toorn is opeens opgestapt. Wie moet hem opvolgen?
