Een vijfde van de hoogbegaafde studenten studeert niet af in het hoger onderwijs door onder meer motivatieproblemen. In de Week van de Hoogbegaafdheid vragen studieadviseurs en studentenpsychologen aandacht voor het onderwerp. ‘Het is een misvatting dat hoogbegaafde studenten alleen maar tienen halen.’
Als ze het kan voorkomen zegt promovendus taal en cognitie Venja Beck (25) liever niet dat ze hoogbegaafd (HB) is. Niet alleen gaan er allerlei verwachtingen mee gepaard en klinkt het opschepperig – ‘ik heb veel Engelse vrienden en dan is het beste woord gifted, dat vind ik al helemaal niet kunnen’ – maar ze vindt het idee van hoge intelligentie ook vreemd, omdat mensen die niet hoogbegaafd zijn vaak hetzelfde werk kunnen verrichten. ‘Ik ben altijd best jaloers op de mensen die echt gedreven zijn en gedisciplineerd kunnen werken want dat kan ik gewoon niet.’
Weten of je hoogbegaafd bent is niet eenvoudig, want het is geen officiële diagnose. Wel kun je kenmerkenlijstjes opzoeken op internet. Of de studieadviseur opzoeken om erover te praten. Ook kun je je laten testen door een GZ-psycholoog. Of zelf een IQ test doen bij Mensa (een internationale vereniging van zeer intelligente mensen red.).
Het idee dat hoogbegaafde studenten alleen maar negens en tienen halen klopt niet, zegt Amber Damen, bestuurslid van de Stichting Hoogbegaafd in het Hoger Onderwijs.
‘Hoogbegaafden zijn lang niet altijd vwo-studenten, maar vaak ook havisten en vmbo’ers die met vijven en zessen zijn geslaagd. Het zijn ook vaak mensen die buiten school op hoog niveau sporten of gamen, een kunstvak uitoefenen of actief zijn in de politiek.’
Vaak zijn het studenten die supergemotiveerd zijn voor een paar vakken maar superongemotiveerd voor de rest. Damen: ‘Dat kan overkomen als lui. Maar dat is het niet. Hoogbegaafden zijn vaak heel gedreven, maar als ze onvoldoende worden uitgedaagd verliezen ze hun motivatie.’
Hoogbegaafdheid herkennen
Hoogbegaafdheid is een combinatie van een hele hoge intelligentie (een IQ van 130 of hoger) en het vermogen om complexe zaken aan te kunnen. Het zijn mensen die snel kunnen denken en een groot psychologisch en sociaal inzicht hebben. Vaak zijn ze erg vindingrijk. Ze hebben een sterk gevoel voor rechtvaardigheid en maatschappelijke betrokkenheid en zijn vaak gevoelig voor faalangst en perfectionisme.
Vermoedelijk is zo’n 10 procent van de studenten in het hoger onderwijs hoogbegaafd. Uit onderzoek uit 2017 blijkt dat een vijfde van hen hun studie niet afmaakt vanwege motivatieproblemen, gebrek aan studievaardigheden of onderpresteren.
Bij de UvA is er relatief weinig aandacht voor en kennis van, zegt studieadviseur Marloes van der Winkel. ‘Onderwijsaanpassingen zijn lastig omdat voor HB geen officiële diagnose bestaat. Wel kunnen UvA-studenten met hoogbegaafdheid naar de studieadviseur of studentenpsycholoog stappen voor ondersteuning.’
Samen met vijf andere studieadviseurs en een studentenpsycholoog startte Van der Winkel een informele werkgroep voor hoogbegaafdheid aan de UvA om te onderzoeken hoe hoogbegaafde studenten beter zouden kunnen worden geholpen.
De werkgroep denkt na over manieren om het onderwerp hoogbegaafdheid binnen de UvA meer op de kaart te zetten. Een manier kan zijn om bijeenkomsten te organiseren waar hoogbegaafde studenten inhoudelijk in gesprek kunnen gaan over een thema en ervaringen kunnen uitwisselen. Daarnaast zoekt de werkgroep naar manieren om kennis te gaan delen over hoogbegaafdheid zodat docenten en studieadviseurs de studenten vaker gaan herkennen en zo dus ook beter kunnen helpen. Van der Winkel: ‘Studenten weten niet altijd dat ze hoogbegaafd zijn. Ze komen daar dan soms pas achter als het niet meer vanzelf gaat – bijvoorbeeld op de universiteit.’
Struikelblokken
Op de universiteit lopen deze studenten vaker vast omdat het systeem niet is ingericht op hun manier van leren. Hoogbegaafden leren namelijk top down. Ze willen eerst weten waarom ze iets leren en dan zelf invullen wat ze nodig hebben.
Wat niet helpt volgens Van der Winkel is dat de universiteit de laatste jaren steeds schoolser is geworden, met verplichte werkvormen zoals tussenopdrachten en aanwezigheidsplicht voor werkcolleges. Van der Winkel: ‘Verplichte werkcolleges zijn voor hoogbegaafde studenten vaak extra frustrerend. Het kan ertoe leiden dat ze vakken niet halen omdat ze het niet op kunnen brengen om naar de werkcolleges te komen. Of dat ze door de verplichte aanwezigheid de extra vakken die ze willen volgen niet geroosterd krijgen.’
Ook de scriptiefase kan een struikelblok zijn. De kaders die daarbij horen zijn vaak te vaag, waardoor veel studenten niet weten hoe ze moeten beginnen of niet meer kunnen stoppen.
Dat overkwam ook UvA-student Venja. Over de literatuurscriptie waar twee maanden voor stond deed ze uiteindelijk een jaar. ‘Ik kan niet schrijven voordat ik in grote lijnen weet wat er gaat staan. Ik moet dus veel lezen, totdat het ergens in mijn hoofd klikt. Maar ik had geen onderwerp, en ik kon daarom moeilijk iemand vinden voor supervisie. En dus liep ik vast.’
Bij Venja werd op haar vierde al geconstateerd dat ze hoogbegaafdheid was. Op de Montessoribasisschool, waar kinderen zelfstandig werken, kwam ze niet aan het werk. En ook op de middelbare school lukte het haar nooit om huiswerk te maken. ‘Ik heb zo vaak te horen gekregen dat ik niet gemotiveerd genoeg was. Jij bent zo slim, maar je doet zo weinig. Daar heb ik het nog steeds wel moeilijk mee.’
Juist daarom vindt het ze belangrijk dat er in de Week van de Hoogbegaafdheid ook aandacht is voor de negatieve trekjes. Venja: ‘Hoogbegaafdheid heeft de connotatie dat het alleen maar voordelen heeft, maar het kan ook echt moeilijkheden met zich meebrengen. Ik kan niet tegen een docent zeggen, hé, ik heb m’n werk niet kunnen maken want ik ben hoogbegaafd. Terwijl dat met een ADHD-diagnose wel kan.’
En van de hoge verwachtingen mag ook wel wat af, vult Damen aan. ‘Je hebt misschien wel de capaciteiten van een halve Einstein, maar je hoeft niet allemaal rocket scientist te worden. Ik ben gewoon leraar, andere hoogbegaafden zijn verpleger of technisch tekenaar.’